woensdag 27 augustus 2008

Serendipiteit (6) — Twee boeken van De Oude Heer Smits

De Oude Heer Smits — M.P. Lindo
In het voorbijgaan aan enkele kratten met afgeschreven artikelen van een antiquariaat in één der drukste straten van onze stad, zag ik op het voorplat van een der boeken, die niet ruggelings werden gepresenteerd, het hoofd van De Oude Heer Smits prijken, en dat deed bij mij een belletje rinkelen. Immers, hoe dikwijs had ik, decennia geleden, toch diens Brieven en Uitboezemingen cadeau gedaan aan geïnteresseerden toen ik dat in de opruiming voor de somma van net nog minder dan één gulden had ontdekt in het noordelijkste filiaal van de in die periode grootste ramsjboekenkeizer van ons land. Wat een alleraardigst boekje was dat. Die opvattingen deelden allen die ik er daarna over heb gehoord. Nog hedenochtend meldde een voorbijkomende handelaar in tweedehands boeken, die zag dat ik mij inmiddels over de twee rode bandjes van Smits had ontfermd, dat even als terzijde.
Elf jaar geleden had ik van een bevriende boekhandelaar Janus Snor, geschreven door Mark Prager Lindo, en passant in de handen gedrukt gekregen met de mededeling "Net wat voor jou." Al snel bleek De Oude Heer Smits een pseudoniem van voornoemde auteur van Janus Snor te zijn. Tegenover de titelpagina van dat boek, een herdenkings-heruitgave van 1977, onder toeziend oog van Wim Zaal, stond de mededeling Rond de eeuwwisseling, een begrip dat toen ook ruim werd genomen, zeker als men bedenkt dat die Mark Prager Lindo reeds in 1877 was overleden.

Twee romans in rode fin de siècle-banden
De beide romans, die aan de buitenzijde ongeschonden waren gebleven, hadden van binnen wel een paar garenperikelen bij enkele katernen, die echter eenvoudig waren te verhelpen. Hoewel er geen jaartal op de titelpagina van die beide boeken wordt vermeld, achter of onder de naam van de uitgever — H.A.M. Roelants te Schiedam — zal de tweede druk van deze beide boeken toch omstreeks de eeuwwisseling het licht hebben gezien. Clementine was voor het eerst in 1858
uitgegeven en Le Saltimbanque dateert van 1873. Beide beginnen met een Brief, een vorm die weliswaar in die periode zeer gebruikelijk was, maar die bij deze auteur kennelijk toch enige voorliefde genoot.
In het Letterkundig Woordenboek voor Noord en Zuid van de onvolprezen Kornelis Ter Laan (1871-1963), voor het eerst verschenen in 1941, de tweede druk elf jaar later, staat Mark Prager Lindo als verwijzing te vinden bij Smits; dat is in de WP van de Nederlandse Letterkunde echter niet het geval. Voor al degenen, die Lindo wel kenden als De Oude Heer Smits en niet onder zijn
burgerlijke naam, is dat wel even zoeken, en zo'n regel bij Sits kan in zulke gevallen wonderen doen.
Ter Laan meldt dat Lindo de navolging is aangetreden van Charles Dickens bij een "copiëring van het dagelijks leven" en hij noemt hem "humoristisch als Hildebrand en Klikspaan". Hoewel een echte vergelijking met die beiden net iets al te oppervlakkig zou zijn, ademen zijn geschriften wel degelijk de sfeer die ook is aan te treffen in de werken van die twee genoemden.
Direct vóór het verschijnen van Clementine was de bundeling Brieven en Uitboezemingen verschenen (Ter Laan noemt die abusievelijk Ontboezemingen) — samengesteld uit de Schetsen die in de jaren 1850-1853 in de Arnhemsche Courant waren afgdrukt.
Irritant is en blijft het feit dat zowel de schrijver als de verantwoordelijke uitgever [1] zich beter hadden moeten oriënteren voor zover het de Duitse taal betreft. Het is best om in het verhaal iemand Duits te laten spreken dan wel citaten te brengen of interpretaties te geven, maar die moeten dan wel juist zijn, en niet als steenkool- of brikettengruis-Duits worden afgedrukt.

Geen exacte datering
De beide
boeken met de bovengenoemde Smits-verhalen hebben in ieder geval twee eerdere eigenaren gehad. Op het schutblad staat een met kroontjespen in een dameshandschrift dat eveneens fin de siècle kwaliteiten bezit.
De tweede, veel opvallendere naam is die in een Ex Libris-stempel: Mr. H. van Riel, en op de tweede regel: Rotterdam. Of dat de befaamde, omstreden VVD-senator — die een vermaard boekenliefhebber was en onder meer een geschiedenis van Zuid-Holland heeft geschreven — is geweest, behoort vanzelfsprekend tot de mogelijkheden, maar zeker is dat niet. Bij diens overlijden sprak men binnen het boekenvak vol eerbied over "een bibliotheek van wel vijfduizend delen". Of daarin verhalen van De Oude Heer Smits zouden passen, is mij te vaag. Bovendien zullen er meer mensen zijn (geweest) die H. van Riel heten en de meestertitel voor hun naam mochten zetten.

De schrijver
Mark Prager Lindo werd op 19 februari 1819 in de Engelse hoofdstad geboren, maar kwam als
negentienjarige naar Nederland, waar hij in het onderwijs ging werken: vanaf 1842 te Arnhem als leraar — sommige bronnen melden echter Alkmaar —, in 1853 als docent aan de Militaire Academie en vanaf 1865 in de functie van Inspecteur van het Lager Onderwijs te Den Haag. In 1856 richtte hij de Nederlandsche Spectator op, die hij aanvankelijk geheel in zijn eentje redigeerde. Mark Prager Lindo publiceerde ook verhalen, die duidelijk waren beïnvloed door William Makepeace Thackeray (1811-1863), die als Our Fat Contributor onder meer aan het humoristische tijdschrift Punch verbonden was. Smits/Lindo's boek Janus Snor is meer dan eens gekwalificeerd als de enige humoristische roman uit de negentiende eeuw die goed honderd jaar later nog leesbaar was. De auteur van de synopsis op het stofomslag — en we hebben goede redenen om aan te nemen dat het daarbij om Wim Zaal gaat — zegt dat Lindo's invloeden tot in het werk van Godfried Bomans hebben doorgewerkt. Een en ander kan een goede reden zijn om een van die boeken aan te schaffen als men die ergens tegenkomt. Sommige ervan zijn via internet te bestellen bij antiquariaten, maar daar kosten ze aanmerkelijk meer dan ik ervoor heb betaald. Doch dat is eventueel uw, en niet mijn, probleem.
Het boek werd onder de titel Uittreksels uit het dagboek en nadere levensberichten van den heer Janus Snor in 1868 voor het eerst gepubliceerd.
Mark Prager Lindo is op 9 maart 1877 in Den Haag overleden.
__________
[1] Mij is te weinig bekend over uitgeverij Roelants te Schiedam — bij het zien van die naam komen altijd weer beelden uit mijn jeugd naar boven: de naam en de plaats stonden op tal van bioscoopkaartjes — om te kunnen vaststellen dat daar al dan niet aan gedegen manuscript lezen werd gedaan. In ieder geval draagt niet alleen de auteur de verantwoordelijkheid voor later vastgestelde taalzonden, maar iemand ter uitgeverij
had taalkundig en literair zodanig ontwikkeld moeten zijn om (kunnen) te weten dat men Duitse teksten niet schrijft of ze uit de Haagse spreektaal komen, dit moeten signaleren en tevens op gepaste wijze corrigeren.
Overigens is met het verstrijken van de tijd dat probleem actueel gebleven. De internationaal vermaarde thrillerschrijver Robert Ludlum laat in tal van zijn, weliswaar succesvolle doch middelmatige, boeken de protagonisten door tal van Europese landen reizen, en zodra die dan in een conversatie — in het Frans, Duits of Nederlands — terechtkomen, is de kwaliteit van die buitenlandse taal zwart op wit in het bewuste Ludlum-boek ook van een armetierigheid, die de alom gevierde Tante Betje nog uitzinnig zou doen blozen. Ook daar draagt de internationaal al even vermaarde uitgever de uiteindelijke verantwoordelijkeid voor zulke pijnlijke stommiteiten.
____________
Afbeeldingen
1. De auteur zoals afgebeeld op de achterzijde van de Brieven en Uitboezemingen. . . . .
2. Voorzijde van de Brieven en Uitboezemingen van De Oude Heer Smits.
3. Voorplat van het verhaal Le Saltimbanque in de tweede druk, verschenen omstreeks 1900.
4. Afbeelding van het stofomslag van Janus Snor in de jubileumeditie, verschenen bij P.N. van Kampen te Amsterdam in 1977.


zaterdag 23 augustus 2008

Jugendstilband voor Gerhart Hauptmanns tweede drama

Vergane glorie
In het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw werd het allengs moeilijker Duitse boeken die in Fraktur waren gedrukt, aan de man te brengen. Op scholen werd het nauwelijks meer geleerd, behalve op een paar gymnsia en lycea waar sommige eigenzinnige leraren meenden dat het goed was die teksten te kunnen lezen. Gelijk hadden ze, maar niet iedereen, zelfs niet in de schoolleiding was daar erg gelukkig mee. Vanzelfsprekend heeft dat mede te maken met het feit dat Duitsland de oorlog had verloren. Voor 1940 was Duits een schoolvak vanaf de eerste HBS- en gymnasiumklas, na 1945 werd dat de tweede.
Enfin, doordat de beangstelling voor de teksten in kwestie, — die, als het om bekende boeken ging, allang in Latijns schrift wijd en zijd verspreid waren — reeds (on)behoorlijk tanende was, werden in antiquariaten en aanverwante boekwinkels zulke, dikwijls redelijk tot fraai uitgegeven boeken voor weinig geld aangeboden.
Dat laatste gold ook voor het familiedrama Das Friedensfest uit 1889, van Gerhart Hauptmann (1862-1946), dat aanvankelijk de werktitel Der Vater droeg. Wellicht heeft Hauptmann daar verder van afgezien omdat de Zweed August Strindberg twee jaar eerder een drama had geschreven met die titel.
De vierde editie van Das Friedensfest is in 1899 bij zijn toenmalig vaste uitgever S. Fischer te Berlijn verschenen [2] . Hauptmann, die in die jaren nog sociale drama's schreef, waardoor hij de grondlegger van het Duitse literaire naturalisme werd. Die toneelstukken hebben bijgedragen tot voorzichtige sociale hervormingen. Zo werd hij ook een boegbeeld van de sociaal-democratie. In 1912 werd aan Gerhart Hauptmann de Nobelprijs voor Literatuur toegekend.

Nieuwe richtingen
Na zijn naturalistische periode heeft deze auteur ook nog tal van symbolistische drama's geschreven, alsmede diverse andere theaterstukken die zijn gebaseerd op de Griekse mythologie. Overigens heeft hij zich eveneens als schrijver in andere literaire genres zeer verdienstelijk gemaakt.
Enkele decennia daarna heeft hij het begrip nationaal in zijn socialisme geïncorporeerd en zich nadrukkelijk als pro-Hitler geprofileerd. Hoewel dat mannetje op zijn beurt nimmer enige aandacht aan Hauptmann heeft besteed. Hoe ver buigt echter een internationaal geziene en geëerde auteur zich in het vergiftigde stof als hij bij de dood van Hindenburg — de man die Hitlers machtovername mogelijk heeft gemaakt — de zeer overdreven gedramatiseerde zinsnede "Die Weltuhr steht still" neerkalkt? Daarmee, en met andere uitingen tijdens de pekzwarte bruine heerschappij in het Mofrika van anno toen, heeft hij niet alleen terecht veel kritiek geoogst, maar ook heeft hij als gevolg daarvan tal van vrienden uit de betere tijd verloren.
De filosoof Ludwig Marcuse (1894-1971) heeft in één van zijn essays de daardoor onstane, altijd gebleven, afkeer en walging jegens Hauptmann niet onder stoelen of banken gestoken [2].
Ook de heden ten dage nog steeds als primus inter pares van de Duitse literatuurkritiek geldende Marcel Reich-Ranicki (geb. 1920) heeft in het ZDF-programma Das literarische Quartett bevestigd dat hij Hauptmann de Hitlergroet heeft zien brengen. Wel voegde hij daaraan toe dat zulks niets afdeed aan de kwaliteiten van de vroege sociaal geëngageerde drama's van die auteur.
__________

[1] Voorin het boekje, onderaan de binnenzijde van het voorsplat is een klein etiketje bevestigd met de naam van de boekhandel die het boek heeft geleverd. In dit geval gaat het om Boekhandel en Uitgeverij P. Noordhoff te Groningen. Meer daarover later deze week op onze zustersite Cultuur in Groningen en omgeving.

[2] Het essay is getiteld Zwei Nachrufe auf Gerhart Hauptmann, en is voor het eerst verschenen in het Duitstalige, tijdelijk in New York uitgegeven cultuurtijdschrift Aufbau van 21 juni 1946. Na het verscheiden van Ludwig Marcuse is het artikel opgenomen in de bundel Essays, Porträts, Polemiken — Ausgewählt aus vier Jahrzehnten von Harold von Hofe. Diogenes Verlag AG, Zürich, 1979.

___________
Afbeeldingen

1. Voorplat van de vierde editie, uit 1899, van het familiedrama in drie bedrijven Das Friedensfest, met het Jugendstil-ontwerp.
2. De schrijver Gerhart Hauptmann.
3. Handtekening van de schrijver.


donderdag 14 augustus 2008

Serendipiteit (5) — Bandontwerp voor de Nederlandse vertaling van Zola's Zijne Excellentie Eugène Rougon

Een Nederlandse Zola-uitgave
Het was weer een van die boekenvondsten in onze stad, waar de nieuwste tweedehands boekhandel de naam Boekenvondst draagt, maar de serendipiteit voltrok zich niet daar doch in een winkel met verscheiden spulletjes — van kopspijkertjes tot en met een oorlogsschip, zullen we maar zeggen — zoals curiosa, vlaggen, kleding, oude muziekinstrumenten, compact discs, dvd's, en enige kratten oude boeken — variërend van het dunst denkbare kinderboekje tot en met een vierdelige roman in bibliotheekbanden van zo'n eeuw geleden, met in totaal een kleine drieduizend pagina's. Dat was echt niet zo uitzonderlijk voor die tijd, met een radiotoestel alleen voor de beter gesitueerden en geheel en al zonder televisie, zodat men in de avonduren alle tijd had om onder een leeslamp kennis te nemen van de avonturen van Gil Blas of Ivanhoe, van 's Keizers Elsje, dan wel van talrijke andere Lotgevallen — eveneens beschreven in tamelijk omvangrijke boeken op zeer opdikkend, houthoudend papier met uitermate aangrijpende titels, zoals De belofte op het sterfbed, oftewel: Achttien jaar in een kranzinnigengesticht. En laten we de Diamanten en paarlen, en de Rode Rozen, dan wel Gravin Pia — drie van de 217 romans van het onvolprezen natuurtalent Hedwig Courths-Mahler — toch vooral niet vergeten. En stelt u zich eens voor: schrijver dezes heeft zulks in zijn jonge jaren zelf als boekverkoper voor opgetogen dames van middelbare leeftijd uit de etalage geplukt, opdat zij een week te lezen hadden voor een schijntje.

Zoeken loont
Bij de bovenomschreven winkel met oude spullen, die de toepasselijke naam Bazar Bizar draagt en zich in één van de thans drukste winkelstraten in de binnenstad van Groningen bevindt, ontdekte ik — niet echt op zoek naar iets anders — een deel van Émile Zola's Werken, Zijne Excellentie Eugène Rougon [1] in een onverkorte vertaling, twee delen in één band met een prachtig ontwerp. En dat voor de somma van 50 eurocent. Dan kan zelfs een meer dan goed van boeken en aanverwants voorziene criticus zich niet meer verweren tegen de aanvechting dat boek — ondanks de aanwezigheid daarvan in het Frans binnenshuis — mee te nemen, alleen vanwege de illustratie. Hetgeen weer het voordeel heeft dat u daarvan thans deelgenoot kunt worden. En derhalve vindt schrijver dezes de laatste regel van de vertaling in kwestie — uitsluitend in deze context op zichzelf van toepassing: "Je bent toch een kranige kerel!"
Het is een editie met de beide delen in één band, samen ruim 350 pagina's van uitgeverij Gebr. E&M Cohen te Amsterdam, omstreeks de jaren twintig van de vorige eeuw, te oordelen naar illustratie en typografie. Helaas vermeldden de meeste Nederlandse uitgevers — in tegenstelling tot die in tal van de ons omringende landen — geen jaartal van publicatie. Zulks is pas gemeengoed geworden na de voor erkende uitgevers verplichte invoering in ons land van het ISBN, het International Standard Book Number.
__________

[1] Dit boek is het vijfde deel van de 20 boeken omvattende romancyclus Les Rougon-Maquart, geschreven tussen 1870 en 1893.
____________
Afbeeldingen
1. Voorplat van het hierboven omschreven boek.
2. Afbeelding op visitekaart en website van Bazar Bizar in Groningen.
3. De Franse sociaal zeer bewogen schrijver Emile Zola (1840-1902), geschilderd door Edouard Manet (1832-1883).

vrijdag 25 juli 2008

Serendipiteit (4) — Meine Wasser-Kur van Sebastian Kneipp in de reeks Die historischen Taschenbücher

Waterkuren
"Wie lange darf ein Gesunder im kalten Vollbade bleiben?" luidt één van de vele vragen die aan de orde komen in het hoofdstuk Bäder in het boekje van de befaamde Pastor Kneipp, die meer dan een eeuw geleden begon met alternatieve middelen en methoden ter behandeling van zieken èn gezonden. Gelukkig worden de door de dominee zelf gestelde vragen direct beantwoord aan de hand van praktijkgevallen. Als de alernatieve dokter had gezegd twee keer per week één minuut en de gezonde patiënt uit zichzelf — roomser dan de evangelische dominee-heelmeester — daar vijf minuten van had gemaakt en sedertdien maar niet meer warm kon worden, verbaast dat de dominee met het luisterende oor in het geheel niet. De man zelf had goed meten luisteren. In het vervolg deed hij wat Monsignor Sebastian had voorgeschreven en snel had hij zijn natuurlijke lichaamswarmte weer op peil.
Van de fotokopische herdruk van zijn boek over Waterkuren — ongeveer een eeuw na de eerste editie opnieuw verschenen in de Duitse reeks Die historischen Taschenbücher van Reprint-Verlag Konrad Kölbl in Grünwald — vond ik de afgelopen week een exemplaar in uitstekende staat, tussen de opruimingsboeken in een krat op het trottoir voor een antiquariaat dat ik veelvuldig frequenteer. En ja hoor, weer voor de prijs van vijftig eurocent.


Sebastian Kneipp heeft heel wat gepubliceerd op het gebied van de alternatieve geneesmethoden die een hele opgang hebben genomen, niet alleen in Duitsland, maar elders ook nadrukkelijk. Nog heden ten dage is er geen zichzelf respecterend reformhuis te vinden dat niet de zalfjes en crèmes, de lotions en de oliën van deze lang niet altijd achte heelmeester te koop heeft en nog altijd zijn er massa's mensen die daar baat bij hebben.

zaterdag 5 juli 2008

Engelse schrijfmachine uit 1892 van de firma Williams

Pen en inktpot
Het Londense Victoria & Albert Museum legt in delen van de collectie getuigenis af van welke gebruiksvoorwerpen schrijvenden zich hebben bediend om hun gedachten op papier te krijgen. Tegen het einde van de negentiende eeuw kwamen er steeds meer pennen en inktpotten ter beschikking van het museum, aangezien de ware schrijver, die veel aan het papier wilde toevertrouwen — zoals bijvoorbeeld de romancier — in die tijd de beschikking kreeg over een echte typemachine. Daar moet, voor de volledigheid, overigens wel aan worden toegevoegd dat de meesten van hen deze nieuwe schijfhulp niet inschakelden voor het directe werk, maar dit pas deden als ze hun laatste versie meenden af te hebben.

Ontwikkeling van de schrijfmachine
Sedert de achttiende eeuw waren diverse pogingen ondernomen ter ontwikkeling van de typemachine, die in eerste instantie het doel vertegenwoordigde om blinden tot steun te zijn. De eerste commercieel geschikte schrijfmachine werd reeds in 1870 door de firma Remington in de Verenigde Staten op de markt gebracht. Het vergde relatief veel tijd voordat het tot de eventueel geïnteresseerden doordrong welke mogelijkheden met de komst van dit apparaat beschikbaar kwamen. Pas in de jaren tachtig van de negentiende eeuw begon de markt voor deze machines zich pas echt te ontwikkelen. De eerste generatie schrijfmachines vertoonde wel enige onvermijdelijke problemen die verband hielden met het 'doordraaien' van het ingevoerde papier en met de inktvoorziening, maar toen de navraag ging stijgen, werden er tamelijk snel aanpassingen en tevens substantiële verbeteringen geïntroduceerd.


In historisch opzicht wordt met de ingebruikname en de ontwikkeling van dit apparaat een bepaald onderdeel van de vrouwenemancipatie verbonden, aangezien de typiste langzaam maar zeker meer in de plaats kwam van de mannelijke kantoorklerk. Het werd zelfs een tijdlang als bijzonder beschouwd dat een vrouw secretariaatswerkzaamheden kon en mocht verrichten.
__________
Zie ook onze bijdrage van vrijdag 6 juni en die van zondag 15 juni — beide op deze site over latere Engelse typemachines.
____________
Afbeeldingen
1. Interieur uit het midden van de negentiende eeuw met een meisje dat aan tafel zit te schrijven. Doek van de Franse schilderes Henriette Browne (1835-1901). Die achternaam was een pseudoniem. In werkelijkheid heette ze Madame Jules de Saux.
2. Typemachine van Williams uit 1892.

maandag 30 juni 2008

Uit het Dagboek van Karel van de Woestijne — in 1903 (2)

"Gisteren vertelde mijne moeder mij een droom die ze had gehad. Zij waren — mijne gansche familie en die van Mar., samen met ons — in eene omtuinde begraasde vlakte, waar grote bomen om stonden. En midden ons speelde een schoon knaapje met lang bruin krulhaar, dat was het kind van Mar. en mij. En het droeg een pakje van Schotse snede. — Toen opeens een zwart man daar stond. En hij maakte vóór het kind heffende bewegingen met zijne armen, als om er magnetische stroomingen om te weven. Toen hief het knaapje zijne armpjes in de hoogte, met vlakke handjes den lucht toe; en het rees, en sloot zijn oogen niet, en verdween in der hoogte. Toen slaakte mijne moeder angst-kreeten (die haar deden ontwaken), maar ik zei, kalm, in haar droom: 'oh, het is in den Hemel'."
Het DAGBOEK van Karel van de Woestijne loopt van 18 april 1903 tot 1 augustus 1905, echter onderbroken door de periode van 11 september 1903 tot 28 februari 1905. Het was oorspronkelijk een boekje in dwarsformaat. "Het geheel is gehouden in Art-nouveau-stijl," schrijft Karel Jonkheere hierover in de Inleiding met 'begeleidende nota's' bij de heruitgave door De Arbeiderspers in 1974. Dienovereenkomstig is de ornamentiek op de buitenzijde (zie Aflevering 1) en die aan de binnenzijde van het voorplat (zie alhier, links en rechts).

zondag 29 juni 2008

Uit het Dagboek van Karel van de Woestijne — in 1903 (1)

Op 10 juli 1903 heeft de Vlaamse auteur Karel van de Woestijne (1878-1929) in zijn Dagboek het volgende genoteerd:
"Wij kunnen nog moeilijk flaminganten zijn: 'was man hat' is bij ons overwegend geworden op 'was man ist'; onze opleiding heeft onze heriditeit ziek gemaakt; onze Vlaamse over-erving werd met vreemde, Fransche cultuur geënt. — Daarom is heilzaam ons entoesiasme, en tevens uitgelegd, voor onze dichters die het dichtst bij ons volk en zijne overlevering staan: Gezelle en Streuvels. — Onbewust zijn wij, die schrikten en afkeerig waren voor flamingantisch lawaaieren, naar die zuivere bronnen, die ons eene nationaliteit terug laten beseffen, weergekeerd: wie weet zijn zij het niet die ons morgen Vlaanderen terugschenken, en ons leeren lief te hebben ons geneezend 'Vlaamsch-zijn' boven ons aangeleerd 'Europeesch hebben'. — Benoit [1], Gezelle, Streuvels, Claus [2]: sociale betekenis voor ons."

Dit is wel iets om — ook na ruim een eeuw — nog weer eens over na te denken, helemaal nu ons aller dagelijks bestaan inmiddels wordt vergiftigd door zulke volstrekt verkeerde invloeden — vooral in de vorm van zoveel afgrijselijke Yankismen — en vanzelfsprekend niet alleen in het Nederlands of Vlaams, doch in welhaast alle Europese talen. Waarom hebben mensen tegenwoordig zoiets platvloers als kids en waarom spreken in televisiefilms politiecommissarissen de patholoog aan met doc? Het is een vorm van ernstige degeneratie en taalverloedering, die zijn oorsprong vindt in onder meer tal van zo intens laag bij de grondse Amerikaanse televisieseries waarmee we ons in de oude wereld laten overspoelen en die niets anders doen dan een gebrek aan cultuur verspreiden alsmede een bedreigend conglomeraat van grofstoffelijkheden van het (gebrek aan) niveau waaronder ook en vooral de president van de VS — buiten elke twijfel een zeer boosaardig wezen — en de rest van zijn familie — en extreem velen met hen — zeer nadrukkelijk gebukt gaan.
__________
[1] Bedoeld is hier de componist Peter Benoit (1834-1901). Zie daartoe ook een artikel dat we op zaterdag 8 maart van dit jaar hebben opgenomen op onze zustersite Tempel der Toonkunst.
[2] Karel van de Woestijne kan hier vanzelfsprekend niet doelen op de grote Vlaamse auteur van onze tijd, Hugo Claus (1930-2008).