vrijdag 20 augustus 2010

Het fenomeen muziek in Couperus' roman Antiek toerisme

Aardige vondst(en)
Onlangs vond ik tussen de af te danken boeken in een uitverkoop van winkeldochters door een van de antiquariaten in mijn woonplaats — als bepaalde boeken worden veroordeeld tot één van de dozen of kratten buiten de deur, en de cliëntèle de gelegenheid wordt geboden om elk boek uit die laatste verkoopfase voor de somma van één euro aan te schaffen — enkele romans van Louis Couperus, in verschillende edities. Eén ervan was de derde druk, uit 1927, van Antiek toerisme, een roman uit Oud-Egypte door Louis Couperus (1863-1923), voor het eerst verschenen in 1911. Het boek met een grijs papieren omslag maakte niet de indruk dat het geheel was gelezen. De staat van het boek rechtvaardigt zelfs de gedacht dat er na de eerste bladzijden hooguit nog hier en daar van een hap en een snap uit de tekst is kennis genomen.

Muziek als literair thema
Gedurende de geschiedenis der kunsten is steeds opnieuw gebleken dat de verschillende disciplines binnen het grote geheel elkander hebben beïnvloed en er daardoor een rijk geschakeerd geheel is ontstaan. Dat was tijdens het fin de siècle in binnen- en buitenland niet anders, maar misschien wel nog heel wat intensiever dan in voorafgaande perioden.
Om aan te tonen hoe zeer Louis Couperus zich de muziek als symbool van uiterlijke en innerlijke schoonheid heeft eigen gemaakt, citeren we hier de eerste drie bladzijden uit de roman Antiek toerisme, hetgeen voor sommigen wellicht niet meer zal vertegenwoordigen dan handig toegepaste bladvulling, voor anderen daarentegen is het de representatie van veelzijdige schoonheid.

I
De nacht over de zee was winstille en zaliglijk zilverlouter na den gloeienden gloor van den dag en de groote quadrireem gleed gelijkmatig zacht voort, als over een meer, onder een wijd firmament van sterren. Rondom de ovale zee was de ijle einder zuiver getrokken, en op deze wijde wereld waren alleen de sterren en was het schip.
Maar hetschip weêrklonk van muziek Er was de telkens herhaalde melodische fraze der driehonderd roeiers, zacht en eentonig, weemoedig mineur, met immer den zelfden uithaal, waarna de hortator inzette, waarna als een koor, gedempt, de roeiers weêr òpgalmden, hunne lange fraze van weemoed, de zacht eentonige begeleiding van het moeizame werk, de muzikale zelfaansporing tot weêr het zelfde gebaar van armen en buiging van bovenlijf over lendenen.
Die muziek weemoedigde van onder uit het schip, en samen stemde met haar de zachte golfslag der spanen, die waren als gelijkmatigte pootten van het gracelijke zeedier, dat het schip geleek, met zwaneachtig hoog opgerichten voorsteven: sierlijk monster, zwemmende door de meerkalme wateren van die zilverig lichte nachtwereld, monster met zwanehals en honderde slanke, gelijkmatig bewegende pooten, en gewiekt met twee éven nu en dan nauwelijks wendende rozig-gelige zeilen, die alleen bolden van de eigene vaart des schips, maar niet zwollen omdat de wind stille lag.
Terwijl het sierlijk monster, het groot gevleugeld navigium voort gleed op die samenstemming van slavenzang en spanenslag, klonk blijderm van de achterplecht, het lied der na de arbeid luierende matrozen. Het klonk onbezorgd en vol klank van diepe, donkere, bassige mannenstemmen, zonder der roeiers melancholie, en er was éen matroos, die voorzong met hoogere stem, want wèl mochten de zeelieden zingen, maar hunne zang moest kunnstig worden geleid, omdat muziek, die wèl luidde, voorspoedig was aan de vaart, en de booze kansen weerde, en de helle stem der sirenen niet door liet klinken van onder de wateren, en omdat zuivere klank van menschestem de drijvende, onderzeesche rotsen van verre hield, en den zeeslang terug in de diepte deed duiken.
En door deze twee koren heen, door het weemoedige roeierslied en den juichenden zeeluis=zang, druppelde solo, een fijne vrouwestem liefde smachtende, heldere klanken, met telkens behaagziek darteleren slotzin. Het was, terwijl als goudene kralen neértinkelen, van getokkelde harpsnare — de heel helle goudene kralen, die tinkelen van de snaren der kleine Lesbische vierkoordige harp — een hymne aan de godin Afrodite, wier naam telkens terug klonk, smachtend en dartel, in het Grieksche lied van de zangster, exotieschzacht aanklinkend tegen den harderen Latijnschen woordklank van der mannen jubelzang en onderschipse melodische weemoedfraze . . . .
Op de voorplecht, in een pavillioen van Tyriesch rood zijden gordijnen, lag Publius Sabinus Lucius en luisterde. De muziek, die uit zijn schip opklonk in de zilverloutere nacht van windstilte, door zaliglijk, wijdzuivere, stardoorpoeierde lucht, koelde hem even zijn smart. Hij lag kalmer nu, verzadigd van wanhoop, zijn smartziel als gebet en gebaad in de muziek die wè; ;uidde. Hij staarde, als zonder gedachte, bijna zònder sart nu, naar het zilveren beeld van Afrodite, patronesse van zijn schip, en voor welk een lamp van albast brandde, terwijl uit een wierookvaas een lichte spiraal van nardos de godin haren voet omkronkelde.
Het was niet mogelijk altijd, altijd door, de zelfde hevigheid van smart te voelen. Morgen . . . . o, over een ùur zoû de smert weêr hevig zijn; nu . . . . in deze nacht van koelte en welluidendheid, was er even een korte rust, een niet bestaan, bijna een weemodiege weldadigheid . . . . En, in deze kalmere stemming, gevoelde Lucius behoefte zijn ouden vriend en paedagoog een vriendelijk woord te zeggen: iets, waarmede hij hem sedert de reis nog niet begunstigd had.
. . . . .
____________
Afbeeldingen
1. Louis Couperus. Standbeeld uit de hand van Kees Verkade (geboren 1941), geplaatst op 't Lange Voorhout in Den Haag.
2. Tekstgedeelte op het voorblad van de derde druk (1927) van de roman Antiek toerisme van Louis Couperus.

zaterdag 7 augustus 2010

Drie Duitse fin de siècle gedichten over het fenomeen Stad

Theodor Storm, borstbeeld in zijn geboorteplaats Husum

Die Stadt

Am grauen Strand, am grauen Meer
Und seitab liegt die Stadt;
Der Nebel drückt die Dächer schwer,
Und durch die Stille braust das Meer
Eintönig um die Stadt.

Es rauscht kein Wald, es schlägt im Mai
Kein Vogel ohne Unterlaß;
Die Wandergans mit hartem Schrei
Nur fliegt in Herbstesnacht vorbei,
Am Strande weht das Gras.

Doch hängt mein ganzes Herz an dir,
Du graue Stadt am Meer;
Der Jugend Zauber für und für
Ruht lächelnd doch auf dir, auf dir,
Du graue Stadt am Meer.

Theodor Storm (1817-1888)

____________________



Oskar Loerke, getekend door Emil Stump

Die Stadt verklingt

Woher die feinen Töne schweben
Wie weit verwehter Düfte Schwaden?
Sie sind vom weiten Weg beladen
Mit Mörtelmehl und Spinneweben.

Verstaubtem Öl in Schlüssellöchern
Und stickluftdunkler Korridore,
Mit Säuren, Weines rotem Flore,
Mit Anklang, eisen, hölzern, knöchern.

Und während sie dich schwer erheben,
Kommt schon der Mond mit großem Rade,
Und unter dir klingt als Ballade
Die Stadt, der Abend und das Leben.

Oskar Loerke (1884-1941)

____________________

Gerrit Engelke

Ich will heraus aus dieser Stadt

Ich weiß daß Berge auf mich warten,
Draußen — weit —
Und Wald und Winterfeld und Wiesengarten
Voll Gotteseinsamkeit —

Weiß daß für mich ein Wind durch Wälder dringt,
So lange schon —
Daß Schnee fällt , daß der Mond nachtleise singt
den Ewig-Ton —

Fühle, daß nachts Wolken schwellen,
Bäume
Daß Ebenen, Gebirge wellen
In meine Träume —

Die Winterberge, meine Berge tönen —
Wälder sind verschneit —
Ich will hinaus, mit euch mich zu versöhnen!
Ich will heraus aus dieser Zeit,

Hinweg von Märkten, Zimmern, Treppenstufen,
Straßenbraus —
Die Waldberge, die Waldberge rufen,
Locken mich hinaus!

Bald hab ich diese Straßenwochen,
Bald diesen Stadtbann aufgebrochen
Und ziehe hin, wo Ströme durch die Ewig-Erde pochen,
Ziehe selig in die Welt!

Gerrit Engelke (1890-1918)
____________
Afbeeldingen
1. Theodor Storm, Büste in seinem Geburtsort Husum.
2. Oskar Loerke, gezeichnet von Emil Stump.
3. Gerrit Engelke.

dinsdag 27 juli 2010

Wilhelm Leibls realisme: Parabel van de drie levensfasen: Drei Frauen in der Kirche, 1881 (Kunsthalle, Hamburg)


Drie jaar lang dezelfde modellen
Voordat de Duitse schilder Wilhelm Leibl (1844-1900) — die wordt gezien als de representant bij uitstek van het Realisme — in 1881 zijn doek Drei Frauen in der Kirche als voltooid beschouwde, had hij drie jaar lang zijn modellen steeds opnieuw bijeen laten komen in dezelfde dorpskerk van Oberbayern, waar hij de kunstenaar zich — na zijn studie te Keulen en kortere perioden waarin hij zich te München en Parijs — in 1873 had gevestigd. Daar werd hij dagelijks geconfronteerd met mensen van die verschillende levensfasen, welke volgens de traditie van hun omgeving waren gekleed. Zijn streven naar perfectie tot in het kleinste detail heeft ertoe geleid dat Leibl al zijn artistieke energie heeft moeten inzetten voordat hij kon komen tot de afronding van dit schilderij.




 "Sehen ist alles"

Het doek, dat alweer geruime tijd in de Hamburgse Kunsthalle te bewonderen valt, is één van de uitingen welke in overeenstemming zijn met de ideeën die de schilder over zijn metier had."Man male den Menschen so wie er ist, da ist die Seele ohnehin drin", luidde één van Leibls opvattingen. Een ander idee vatte hij als volgt samen: "Sehen ist alles, die wenigsten aber können sehen."Hoewel dergelijke opvattingen niet zelden, en niet zonder aanleiding, veelal worden gekoppeld aan het Franse impressionisme, zal bij nadere beschouwing toch duidelijk (moeten) worden dat Leibls werk veeleer aansluit bij dat van de schilders der 17de eeuw in de Nederlanden.

donderdag 11 maart 2010



Twintigjarig bestaan
Het zal duidelijk zijn dat elk nieuw gezelschap in de kunsten zich eerst moet bewijzen voordat het een algemeen geaccepteerd instituut wordt. Het muziektheaterensemble Opera Zuid is gevestigd in de zuidelijkste hoofdstad van ons land, en heeft van daaruit in de twintig jaar van zijn bestaan ruimschoots bewezen tot de gezelschappen te behoren die, niet alleen in het zuidelijke deel van het Koninkrijk der Nederlanden, meetellen, maar tevens buiten onze landsgrenzen: in het zuiden en in het oosten. Dat geldt voor alle aspecten waarmee zo'n instituut zich presenteert.
Dat Opera Zuid in Maastricht meer trouwe aanhangers heeft dan in de andere grotere steden van ons land waar het gezelschap optredens realiseert, zal duidelijk zijn. Daar worden van een nieuwe productie dan ook dikwijls twee voorstellingen gegeven. Dat is eveneens het geval met het muziekdrama dat als jubileumvoorstelling is gekozen: Hänsel und Gretel uit 1893, het meesterwerk bij uitstek van de Duitse componist Engelbert Humperdinck, die — zoals zovele andere collega's in het Duitsland après Wagner — grote moeite had zich te bevrijden uit de schaduw van de Grote Dwerg van Bayreuth, die in 1883 was overleden. Hij en anderen die zich in zo'n atmosfeer bevonden, lieten al te weinig van zich horen.

Uitvoering en aankleding op hoog niveau 
Humperdincks zuster Adelheid Wette kwam met het verzoek bij broer Engelbert om een opera te componeren op een libretto dat zij op het bekende sprookje van Hans en Grietje had geschreven, en die ze graag in een kleine entourage opgevoerd wilde zien. Het was de gedachte aan een beperkte kring van toehoorders die Humperdinck deed instemmen. Het resultaat mocht er zijn en mag dat nog steeds. De verhoudingen binnen het orkest dat de handeling begeleidt, zijn duidelijk op een goudschaaltje afgewogen: dirigent StefanVeselka en de musici van het Limburgs Symfonie Orkest hebben de componist hun trouw bewezen. Dat geldt eveneens voor de vocale prestaties.

Gefluister
In de foyer van de Stadsschouwburg in Groningen waar Opera Zuid, direct na de beide Maastrichtse voorstellingen, acte de présence gaf, hoorde ik iemand tijdens de pauze in de foyer met veel aplomb vertellen dat men nu voor een opera had gekozen die niet al te veel rollen van gewicht vereist, omdat de eerste voorstelling na het zomerreces Der Rosenkavalier van Richard Strauss wordt en men nu financieel een stapje terug moest doen.
Het zou tevens de reden zijn dat artistiek leider van het gezelschap, Miranda van Kralingen, zelf de dubbele rol van moeder en Knusperhexe op zich heeft genomen. Welke ook de reden voor de bezetting van die rol moge zijn geweest, een betere invulling had men niet kunnen realiseren.
De veertien engelen, die in echte scènes op de planken optreden, maar op momenten waar enige afstand is vereist, buiten het toneel en krijgen zo mogelijk in de zaal een plek toebedeeld. In Groningen was dat in de vroegere directie-loge terzijde van het toneel, die niet meer voor bezoekers wordt gebruikt, zoals dat in tal van theaters tegenwoordig het geval is. De als waarachtige engelen uitgedoste jongelui zijn leden van het Kinder- und Jugendchor Theater Aachen en staan onder leiding van Frank Flade.

Ideale presentatie
Het interieur van het woonhuis heeft een modern tintje gekregen: stapelbed voor de kinderen en ander bouwpakket-meubilair, convector-radiator — die in 'de andere wereld in uitvergrote vorm de tralies zijn van het hok waarin Hans ter vetmesting is opgesloten — en een SchwarzwälderKukucksuhr. Vanaf het 'plafond' hangt een kleine heks op een bezemsteel: de dreiging van de andere dimensie die de kinderen boven het hoofd hangt, is daarmee in het dagelijks bestaan geïntegreerd. Of is de rol van de moeder in het ware leven ook dubbel bezet en vormen de gesignaleerde parafernalia de representatie van de oerangsten die kinderen onbewust hebben.
De kostumering is in overeenstemming daarmee: moeder in het zwart met een relatief luxe leren handtas, vader daarentegen als handelsreiziger met een totaal versleten koffer, die het ook niet meer schijnt te kunnen behappen, en zonder meer kan worden overgeheveld naar Arthur MillersDeath of a salesman. De kinderen krijgen elk een gekleurde pruik, die van het klassieke patroon — jongetje blauw, meisje rood — afwijkt. Te eten is er nauwelijks.

Sprookjessfeer uitstekend getroffen
Als beide ouders huns weegs gegaan zijn, komen de kinderen in een droomwereld terecht, en dan wisselt het decor niet via de klassieke changementen, maar door middel van een centraal draaiplateau dat aan de achterzijde een schitterend, zilverkleurig vormgegeven bos, en later het koek-en-lekkernijen-huis van de heks, biedt. Daaromheen nog weer een draaicirkel met grote bomen.



Kortom, al degenen die gewoonlijk in de diverse steden van ons land mede zorgen voor een redelijke tot goed bezette theaterzaal, maar die nu verstek hebben laten gaan, zijn daardoor verstoken gebleven van een in alle opzichten en tot in de details prachtige voorstelling.

Niet-vocale medewerkenden
Het Limburgs Symfonieorkest heeft al vaker laten horen dat he de begeleidingstaak voortreffelijk kan waarmaken, zonder zich te reduceren tot een ondergeschikte functie. Dirigent Stefan Veselka — die reeds twee keer eerder voor producties van Opera Zuid werd ingezet, is er opnieuw in geslaagd de juiste toon te treffen.
De Duitse regisseur Bruno Berger-Gorski — onder meer gastdocent aan de Univerität für Musik und Darstellende Kunst te Wenen, en ervaren in zowel het klassieke repertoire alsmede in het onalledaags-moderne — heeft zijn overtuigende invloed geldend weten te maken op niet alleen de spelers/zangers, maar tevens in zijn samenwerking met de Duitse schilder Dirk Hofacker, in wiens concept zeker heel direct de overwegingen van de weldoordachte decors en kostuums een rol heeft gespeeld, aangezien hij ook die heeft ontworpen en dat alles tot een Gesamtkunstwerkheeft gesmeed.
Onze landgenoot Arjen Bijtelaar heeft het concept voor de belichting zodanig uitgewerkt dat het tot een uiterst functionele, de vele aspecten van de sprookjessfeer verhogende, bijdraagt.

Nog zes voorstellingen in maart
Het gezelschap heeft inmiddels de helft van de optredens alweer achter de rug, maar van donderdag 11 maart tot en met zaterdag 27 maart zullen er nog zes voorstellingen worden gerealiseerd, alleen nog in steden beneden de grote rivieren van ons land.
Donderdag 11: Den Bosch; zaterdag 13: Venlo; dinsdag 16: Rotterdam; donderdag 18: Den Haag; dinsdag 23: Tilburg; zaterdag 27: Heerlen.

Afbeeldingen
1. Librettoschrijfster Adelheid Wette, geb. Humperdinck.
2. Dirigent Stefan Veselka met Opera Zuid-kapelmeester Tjalling Wijnstra.
3. De Duitse regisseur en lichtontwerper Bruno-Berger-Gorski.
4. De Duitse schilder Dirk Hofacker, die niet alleen de decors en de kostuums voor Hänsel und Gretel ontwierp, maar tevens aandeel had in het lichtontwerp.
5. Arjen Bijtelaar, die de lichtontwerpen naar de praktijk heeft vertaald.
__________
NB: Meer afbeeldingen, vooral scènefoto's, in verband met deze voorstelling, zijn te vinden in ons artikel vooraf dat op deze site is verschenen op 28 februari jongstleden.
Andere foto's dan in deze terugblik kunt u vinden in de bijdrage die heden (onder meer) is verschenen op de Homepage van de website Muziek en Mensen.

donderdag 16 juli 2009

Amor en Psyche — een geïllustreerd versepos uit 1882

Bij het verplaatsen van boeken
Het gebeurde niet eens, zoals Arthur van Schendel overkwam na een verhuizing, bij het uitpakken van de boeken, dat enkele grotere uitgaven me opnieuw in handen vielen doordat ik moest 'opschuiven' als gevolg van de toevoeging van flink wat aanwinsten gedurende het laatste half jaar die eerst, om tal van redenen, voor een deel nog op stapels waren blijven liggen. Eén van de fraaiere exemplaren die tijdens het fin de siècle waren gepubliceerd, was het in een A4-band uitgegeven epos van Robert Hamerling, Amor und Psyche.
Het boek is goed geconserveerd, behalve de rug. Dat zal ook de reden geweest zijn waarom diverse mensen het exemplaar niet wilden kopen, ook al kostte het, begin jaren zestig, slechts achtennegentig cent. Toen heb ik na enige tijd maar besloten het zelf te houden. Dat besluit betreur ik niet, zelfs al zou de inhoud qua tekst mij niet aanspreken, want niet alleen de band is zeer de moeite waard, de schutbladen binnenin, zowel voorafgaande aan de Franse titel en het normale titelblad, achterin het boek komt het vel met de paginagrote illustratie — in plaats van dikwijls geplaatst marmerpapier — nog tweemaal voor.

De auteur

Robert Hamerling werd in de niederösterreichische plaats Kirchberg am Walde op 24 maart 1830 geboren als Rupert Johann Hammerling. Hij was de zoon van een arme wever en zou daardoor nimmer de opleiding hebben kunnen volgen die hem deelachtig is geworden als niet derden daarvoor de benodigde middelen beschikbaar hadden gesteld. Zo kon hij vanaf 1840 de onderbouw van het gymnasium in het cisterciënzerklooster te Zwettl volgen. Vier jaar later zette hij zijn opleiding voort aan een Weens hoger gymnasium en weer vier jaar daarna ging hij in dezelfde stad talen, geschiedenis, filosofie en medicijnen studeren. Tijdens de Revolutie van 1848 diende hij in het Akademische Legion. Via tijdelijke banen als leraar-invaller, eerst in Wenen, vervolgens in Graz, kwam hij in 1855 terecht als docent aan een gymnasium in Triést, waar hij zo'n elf jaar bleef, maar vroegtijdig werd gepensioneerd als gevolg van zware maag- en darmklachten. Daarna vestigde hij zich in Graz, waar hij op 13 juli 1889 is overleden.

Hamerlings oeuvre
Zijn eerste in boekvorm gepubliceerde werk, het poëtische Venus im Exil, dateert uit 1858. Het zou echter nog tot 1866 duren voordat hij bij een breed publiek bekendheid zou krijgen met het epos Ahsverus in Rome. Hamerling zou meer thema's uit de oudheid tot onderwerp van epiek en lyriek maken, maar daarnaast zouden aspecten van de Romantiek en de nawerking daarvan hun ingang vinden in de veelal retorisch opgeklopte teksten vol sensualiteit en — helaas niet zelden — een overmaat aan gezwollen pathos. Zijn drama's — zoals de tragedie Danton und Robespierre uit 1871 — bleven, evenals de nationaal getinte satiren, zonder literaire of maatschappelijke gevolgen. Zijn roman Aspasia, een Heleense kunstenaars- en zedenroman is in Nederlandse vertaling bij uitgeverij Minerva verschenen. Naast autobiografisch werk onder de ietwat theatrale titel Stationen meiner Lebenspilgerschaft (1889) schreef Hamerling veel brieven, welke tijdens zijn leven ongepubliceerde bleven, maar in vier delen tussen 1897 en 1901 zijn uitgegeven. Tijdens zijn actieve schrijversleven behoorde Robert Hamerling tot een van de meest gelezen auteurs. Zijn Verzamelde Werken zijn in 1911 in zestien banden verschenen. In zijn geboortehuis is thans het Robert-Hamerling-Museum gevestigd.

Amor und Psyche
Hamerlings Dichtung in sechs Gesängen, met de titel Amor und Psyche, voor het eerst verschenen te Hamburg in 1881, beleefde tal van herdrukken. Het boek is voorzien van diverse illustraties in de tekst, ter opluistering van het begin van een Zang, dan wel in grotere afdrukken, die een halve en hier en daar zelfs een hele bladzijde in beslag nemen.
Van de reeds als gezwollen gekwalificeerde teksten een willekeurig voorbeeld:

«Jch bin du und du bist i c h , mein Seelchen!
Eins sind wir — vereint in Liebe — selig!
Kind, was willst du mehr? Lass dir's genügen!
Denn so lang nur mit des G e i s t e s Augen
Du mich schauen wirst, bin ich der Deine,
Bleib' ich immerdar dir unverloren;
Aber schaust du mich mit Leibes Augen
Schaust du mich als Aussending und - Wesen,
Kind, dann h a s t du mich nicht mehr — verlieren
Wirst du mich, verlieren mich auf immer:
So, Geliebte, will es das Verhängnis!» —


Bij al die uitvergrote gevoelsuitbarstingen die voor menig lezer anno nu maar moeilijk te verteren zijn, geef ik wel te bedenken dat ze uit een tijd komen die we niet zelf hebben meegemaakt, en zou ik er — mede ter relativering — op willen wijzen dat we zelf teksten uit onze jeugd of ook nog van daarna — afhankelijk van de leeftijd die de lezer in kwestie heeft — inmiddels hopeloos ouderwets vinden, en die zijn een halve eeuw of meer jonger dan deze epische versregels.

Afbeeldingen
1. Voorplat met bandversiering van de uitgave — in dit geval de zesde druk, uit 1882, van het versepos Amor und Psyche.
2. Leraar en schrijver Robert Hamerling (1830-1889).
3. Voorbeeld van paginagrote illustratie in Amor und Psyche.
4. Schutblad op speciaal papier en bijzondere illustratie in plaats van de toen veelgebruikte marmers.

donderdag 2 juli 2009

Arthur Conan Doyle — Een halve eeuw ingezonden brieven

Niet alleen avonturenverhalen
De medicus Arthur Conan Doyle (1859-1930) — de tot op de dag van vandaag op vele plekken ter wereld befaamde schepper van de super-detective die lezers en televisiekijkers nimmer verveelt, en die dan ook uit de dood moest worden opgewekt toen Doyle hem had laten omkomen — was zeer vaardig met de pen. Zo componeerde hij niet alleen romans en veel kortere verhalen, ook was hij een bekwaam, veelvuldig op de voorgrond tredend schrijver van ingezonden brieven naar kranten en tijdschriften van de meest uiteenlopende signatuur, zowel op Engelse bodem als ver daarbuiten.
Tussen 1879 en 1930 heeft hij er een groot aantal verzonden, over tal van onderwerpen, die de actieve interessesfeer van zelfs medici verre te boven ging. Dat varieerde van opvattingen over situaties en wetgeving met betrekking tot echtscheiding tot en met vragen omtrent een eventueel voortbestaan na de dood. Doyle kon polemiseren, maar zich met evenveel overtuiging en hartstocht overgeven aan de verdediging van een goede zaak: maatschappelijke ontwikkelingen ten faveure van verschillende groepen van achtergestelden en zo meer.
Eén voorbeeld uit die vele brieven, welke de datum 2 juli droeg, zij het dan ook reeds in 1887, heb ik vandaag gepubliceerd in een artikel op het fin de siècle cultuurweblog All art is quite useless van Rond1900.nl. Het thema is spiri(tualis)tische seances, waaraan Doyle heeft deelgenomen om nader inzicht te krijgen over het bestaan van een geestelijke entiteit buiten het (menselijk) lichaam.

vrijdag 5 juni 2009

Een late uitgave van Piet Paaltjens' Snikken en Grimlachjes

De grote onbekende
"Er zijn levensgeschiedenissen die zich uiterst moeilijk laten schrijven. Vooreerst dewijl ze zoo aandoenlijk zijn, dat men zich er niet mee kan inlaten, of men moet het uitsnikken van ontroering; en dan, omdat ze bijna geheel in den nacht der vergetelheid begraven liggen, — Van al zulke levensgeschiedenissen is de van PIET PAALTJENS de onbechrijfelijkste.
Men weet haast niets van hem, en wat men nog van hem weet, dat is hartverscheurend.
Wanneer is hij geboren en waar? Wie droeg hem onder haar hart en wie gaf hem als vader aan bij den burgerlijken stand? Bij wien lag hij schoolen in wat jaar deed hij het staatsexamen? — Op al die vragen kreeg nooit iemand antwoord."
Dit is de tekst op de eerste pagina van een LEVENSSCHETS, welke zich uitstrekt over de eerste tien tekstbladzijden na het blad met de titelpagina. Aan het slot staat de datering 24 oktober 1867 en de initialen F.H.

Mystificatie

Aan de gebruikte taal en stijl is af te leiden dat die tekst in het laatste deel van de negentiende eeuw is geschreven enerzijds bloemrijk, anderzijds — althans voor onze begrippen — enigszins gezwollen. En in dier voege is ook het commentaar dat degene die zich verbergt achter die twee hoofdletters, op de resterende tekstbladzijden geeft. Zo meldt hij dat hij in een bepaalde dichterlijke uiting van PP geen zedelijke strekking in vindt. Dan volgt er direct een sterretje, verwijzend naar een Noot onderaan de pagina. Daarin wordt ingegaan op allerlei aspecten van zedelijke kracht en meldt de schrijver van de Noot — die nota bene de zetter blijkt te zijn — dat hij "de verzen van den heer P. voor een goed geneesmiddel tegen den kwaal zelve waarvan zij de uitvloeisels schijnen te zijn" houdt, om te eindigen met een aanval op "huilerige en tandenknarsende rijmen in almanakken."

Nieuwe edities

Vier jaar daarna verschijnt een tweede druk van de Snikken en Grimlachjes en staat er in een voorwoord voor den tweeden druk een aantal regels met de ondertekening P. PAALTJENS, die meent dat het beter is dat de uitgever niet meerbij hem aanklopt om nieuwe verzen.
"Alzoo, beste heer ROELANTS, wilt ge nog wat van mij hebben, kom dan om — sigaren. Of neen — heb geduld: misschien dat ik u toch nog eens met een bundeltje verzen gelukkig maken kan, maar verzen van een anderen geest dan die mij als jongeling bezeten hield."
Dan volgt nog een blad met aan de ene kant een voorwoord bij de vierde druk. In 1881 meldt de uitgever, in weer een nieuwe uitgave, verheugd dat PP toestemming heeft gegeven nog een gedicht toe te voegen en in October 1895 worden in de zevende druk nog weer enkele gedichten, totaal 15 pagina's beslaand, toegevoegd.
Piet Paaltjens, annex François Haverschmidt (1835-1894) heeft het verschijnen van die dan — in ieder geval vooralsnog — laatste editie van de Snikken en Grimlachjes niet meer mogen beleven: hij is in januari 1894 overleden.

Praktische serendipiteit

Tijdens een van mijn bijna (werk)dagelijkse fietstochten met de hond, richting centrum van de Stad waarin ik ben geboren en nog immer woon, kom ik iedere keer in aanraking met kratten en dozen vol afgeschreven boeken, die voor de etalageruit van een in Stad en wijde ommelanden bekend antiquariaat staan. En niet zelden vind ik daar wel iets van mijn gading dat dan voor de somma van vijftig cent per stuk mee mag. Eerder deze week was de oogst bijzonder: bijna twintig boeken, waaronder twee van François Haverschmidt: het onderhavige en een bundel verhalen uit 1894 — Familie en kennissen. Meer daarover in een artikel op het cultuurweblog All art is quite useless van Rond1900.nl. Dat waren de twee enige uitgaven tussen al die nieuwe aanwinsten van de nog lopende week, welke betrekking hebben op de periode die wordt bestreken door deze cultuursite.

Een der laatste gedichten


AAN ADRIANUS ARENA ICtus

Een paar slotsnikken


I.
Waar zijn ze nu de tranen, JANUS, die er blonken
Achter uwe brilleglazen, wen we elkander, dronken
Van weemoed, half, en half van wijn, in de armen zonken?


En waar de zangen, die dan diep ons uit de longen
Door 't opgeschoven raam, den stillen nacht in, drongen:
Het "Mihi est", door niemand schooner ooit gezongen? (*)


Daar waar de zuchten bleven, die bij tusschenpoozen
Ik met den besten wil niet laten kon te loozen,
Gij weet het al te wel, om háár: "de bleeke roze".


En waar de schaterlach is heengerold, de blijde,
Dien al wat kennis had aan lachen u benijdde.
Zóo schaterlachen ze niet langer, ook te Leiden.


II.
't Gaat al voorbij. De dag zal komen, JANUS,
Dat het met u en mij voorgoed gedaan is.


Dan rijst en daalt de zon aan gouden transen:
Uw oog noch 't mijne vangt haar purpre glanzen.


't Sneeuwt bloesems; 't koren geelt, rood kleurt de heide:
Noch lentegroen noch herfstbruin zien wij beide.


Wieg golf en mastbosch vrij op de' âam der winden,
Hun zang niet meer ons oor zal open vinden.


Zacht zwelt de druif op Rijnsche en Fransche bergen:
Haar tintlend sap niet ons de tong zal tergen.


O JANUS, al die oud, fijne merken.
En andren slechts, dien zij het hart dan sterken.
_____


Dan volgen nog de afdelingen III. en IV.
Aan het slot de datering 1888.
__________


(*) Met Mihi est verwijst Paaltjens naar een befaamd drinklied uit de elfde eeuw: Mihi est propositum — In taberna mori.
____________
Afbeeldingen
1. Portret met signatuur van Piet Paaltjens. Deze, ten dele op fantasie berustende, beeltenis werd gerealiseerd door R.M. Schmidt Crans (Den Haag) voor de eerste druk van Snikken en Grimlachjes. Ook in de zevende editie van 1895 is deze afgedrukt tegenover de titelpagina en met een heel dun vloeipapiertje bedekt.
2. Voorplat van de zevende druk (1895) van de Snikken en Grimlachjes.